Daders: Zet ze allemaal op de stoel.

Seeuws, J. (2016). Daders: Zet ze allemaal op de stoel. Artikel verschenen in Aktief, magazine Masereelfonds, V1 (2016), p5-6. (Download het volledige artikel hier.)


Nieuwe afbeelding

“Eens dader, altijd dader. Gevangenissen zijn luxehotels. Wij zullen wel betalen. Ze verdienen het niet om te blijven leven. Sluit ze op en gooi het sleuteltje weg.”

De online reacties op artikels over justitie en daderschap zijn doorgaans uitgesproken vergeldend. Eric Goens toonde ons met zijn ‘Helden van het Internet’ in het debatprogramma Karen & De Coster dat de luidst blaffende honden niet degene zijn die bijten. Toch leek geen enkele minister van Justitie tot nog toe de moed te hebben om het hopeloos verouderde repressieve strafbeleid volledig te hervormen naar een herstelgerichte humane variant.

Falend gevangeniswezen bestendigt polarisatie

Ervaringsdeskundigen zijn het erover eens: ons gevangeniswezen faalt. In mei 2015 publiceerde het NICC[1] een rapport over recidive na een rechterlijke beslissing, op basis van cijfergegevens sinds 1995 uit het Centraal Strafregister: 57,6% heeft gerecidiveerd. Bovendien blijken personen die veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf meer kans op herval te hebben dan anderen. Het regime evolueerde weliswaar van eenzame opsluiting naar reclassering, maar de muren waarbinnen dit proces zich afspeelt bleven dezelfde. Gevangenen zelf geven aan dat ze er niet beter uit komen dan ze binnen gingen. Hun leven staat op pauze, ze moeten afscheid nemen van hun sociale context of werk en kunnen bijgevolg niets bijdragen tot de samenleving. Als ze met psychische klachten kampen, dan zijn er – alle inzet van medewerkers ten spijt – veelal te weinig middelen om die uit te diepen en te behandelen.

Geïnterneerden horen al helemaal niet thuis in de gevangenis. De komst van het forensisch psychiatrisch centrum in Gent en de plannen voor andere FPC’s zijn hoopgevend. De reguliere gevangenissen blijven echter overbevolkt, de gemoederen raken daardoor sneller oververhit en penitentiair beambten staken geregeld om de werkomstandigheden in dit logge instituut aan te klagen. Toch worden nieuwe mastodonten van gevangenissen gebouwd die intramuraal voor een criminele hiërarchie zorgen en extramuraal de ‘brave versus stoute’-polarisatie tussen medeburgers bestendigen. De protestacties tegen de bouw van het grote gevangenisproject (1190 plaatsen) in Haren zijn daar een bewijs van (zie opiniestuk Gideon Boine in De Standaard, 27 oktober 2015).

De groep mensen voor wie levenslange vrijheidsberoving het enige alternatief lijkt vanwege de ernst van hun misdrijf en het gebrek aan uitzicht op verandering in hun denken, voelen en handelen waardoor het risico op recidive torenhoog blijft, is relatief klein. Het grootste deel van de gedetineerden komt vroeg of laat weer in onze samenleving terecht. “Gisteren nog achter een hoge muur vol prikkeldraad, vandaag naast je aan de kassa van de plaatselijke supermarkt” is nu eenmaal de realiteit. De gevangenissen zoals we die in ons land kennen genereren een (vals) gevoel van veiligheid en gaan verblind door controle voorbij aan het belangrijkste doel van een straf: de criminaliteit efficiënt terugdringen op lange termijn.

Het kan nochtans anders. In Scandinavië worden gevangenissen bewust kleinschalig gehouden, om de interactie tussen gedetineerden en personeel te bevorderen. Cipiers zijn daar niet alleen bewakers, maar staan ook in voor de psychosociale begeleiding en helpen ‘hun’ gevangenen om naar de maatschappij terug te keren. Dit systeem is betaalbaar en zorgt voor een betere opvolging. Noorwegen heeft een relatief klein aantal mensen in de gevangenis en de recidivecijfers liggen er een stuk lager dan in België.

De buitenlandse medewerkers van gevangenissen die in 2014 de nieuwe gevangenis in Beveren proefondervindelijk testten stelden unaniem: “Hoe kun je betere mensen van gedetineerden maken, als je ze bijna de hele dag in hun eentje achter een stalen deur stopt? Laat staan als je ze met twee of drie op een paar vierkante meter vastzet?” (Philip Heymans, De Redactie, 4 maart 2014) Er moet met andere woorden ook in België meer ingezet worden op alternatieve vormen van strafuitvoering die zowel voor de dader, diens omgeving als de slachtoffers en samenleving nuttig zijn.

Kleinschalige detentiehuizen: stoute jongens en meisjes tellen mee

In 2013 lanceerde Hans Claus, criminoloog en directeur van de gevangenis in Dendermonde, een detentievorm die met het oog op re-integratie beter verankerd is in het maatschappelijke weefsel. “Vzw De Huizen ijvert voor kleinschalige detentiehuizen waarbij problemen beheersbaar blijven en gedetineerden aangesproken worden op hun verantwoordelijkheden. Deze detentievorm is een constructief voorstel naar een veiligere samenleving.” [2] In dit penitentiaire systeem doorlopen gedetineerden enkele stadia in verschillend beveiligde detentiehuizen: van gesloten tot open, van basisprogramma tot intensieve intramurale begeleiding. In elk huis leven een tiental daders samen. Ze worden hierbij ondersteund door een individuele begeleider die een detentie- en reclasseringsplan opmaakt dat de ontwikkeling van verantwoordelijkheid, een sociaal netwerk en re-integratie stimuleert. De detentiehuizen zouden bovendien een economische, sociale of culturele rol kunnen opnemen door het uitbaten van een sociaal restaurant, fietsenwerkplaats, kunstatelier, organiseren van groenaanleg en dergelijke meer. Op die manier hebben ze ook een toegevoegde waarde voor de buurt. Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) liet eerder dit jaar alvast optekenen dat hij achter de kleinere gevangenissen met een gepersonaliseerde begeleiding staat. “Het gaat om mensen die sowieso vrijkomen. Het is beter om hen die laatste periode van hun straf te begeleiden dan hen zonder bagage terug de maatschappij in te sturen.” (Koen Geens in Het Laatste Nieuws, 6 juli 2015) Of, hoe en wanneer dit dan effectief georganiseerd wordt, is echter nog onduidelijk.

Alternatieve straffen om overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan

Geens maakte er ook een punt van dat alle straffen uitgevoerd worden. Korte gevangenisstraffen (minder dan één jaar) wil hij vervangen door alternatieve maatregelen die focussen op re-integratie. De vrijheidsstraf blijft dan over als het ultimum remedium. De meest bekende van die alternatieve gerechtelijke maatregelen is ongetwijfeld de werkstraf (sinds 2002 geregeld door artikel 37ter van het Strafwetboek). De autonome werkstraf kan door de politierechter of correctionele rechtbank worden opgelegd voor heel uiteenlopende misdrijven, en bedraagt 20 tot 300 uur onbezoldigd werk ten bate van de gemeenschap – zelfs tot 600 uur als er sprake is van recidive. Zo kan een wegpiraat bijvoorbeeld aan de slag gaan in een revalidatiecentrum voor mensen met een niet-aangeboren hersenafwijking, om er geconfronteerd te worden met de gevolgen van verkeersongevallen veroorzaakt door onverantwoordelijk rijgedrag. Het justitiehuis, de probatiecommissie, de dienst Alternatieve Gerechtelijke Maatregelen en de prestatieplaats houden elkaar op de hoogte van de uitvoering van de werkstraf.

Een dienstverlening van 20 tot 120 uur in openbare diensten, vzw’s of stichtingen wordt dan weer door de Procureur des Konings voorgesteld in het kader van een gerechtelijke bemiddeling. Het kan gaan over werkzaamheden inzake onderhoud, milieubeheer, administratie, hulp aan personen enzovoort. Deze maatregel tracht de dader te responsabiliseren voor het begane misdrijf door hem of haar de voor de maatschappij veroorzaakte schade symbolisch te laten herstellen.

Bij het elektronisch toezicht wordt een gevangenisstraf dan weer vertaald naar huisarrest. Ongeveer 2000 mensen voeren die vandaag uit, een cijfer waarmee België bij de koplopers in Europa hoort. De dader draagt een enkelband die via een bewakingsbox in huis signalen verzendt naar een centrale computer. Het Vlaams Centrum Elektronisch Toezicht controleert of de dader zich aan het strikte uurrooster houdt. Men mag het huis uitsluitend verlaten voor werkgerelateerde activiteiten of andere gerechtelijk opgelegde voorwaarden.

Zowel het elektronisch toezicht als de werkstraf worden onder het mom van re-integratie steeds vaker in de verf gezet. Men behoudt immers werk, sociale contacten en blijft (gedeeltelijk) meedraaien in de maatschappij. Toch houden de bovenstaande maatregelen slechts in beperkte mate rekening met de oorzaken van een misdrijf. Als men op dat vlak niet ingrijpt, vervalt een dader na de strafuitvoering gemakkelijker opnieuw in een kluwen van zich herhalende problematische patronen. Soms heeft dat niets te maken met ‘niet willen’ maar eerder met ‘niet kunnen’. Een herstelgerichte forensische hulpverlening biedt daarop een antwoord. Justitiabelen komen er via verschillende procedures in terecht: de bemiddeling in strafzaken, de probatie (uitstel en opschorting), vrijheid onder voorwaarden, voorwaardelijke invrijheidstelling of voorlopige invrijheidsstelling. Bij verslavings- of andere psychiatrische ziektebeelden legt men een (semi)residentiële behandeling op. Voor daders bij wie er sprake is van een lichtere achterliggende problematiek bestaat de leermaatregel. Hoewel ze voor zowel dader als samenleving een meerwaarde is, ontbreekt die leerstraf vaak in de lijst met alternatieve gerechtelijke maatregelen. En onbekend is onbemind.

Leerstraf als leerkans

Daders van allerhande misdrijven kunnen een leermaatregel opgelegd krijgen. Die bestaat uit een opgelegd leer- en begeleidingsproces dat zes maanden tot enkele jaren kan duren. Er bestaan in België verschillende leermaatregelen die zich van elkaar onderscheiden volgens de doelgroep en het inhoudelijke aanbod. Groepsvormingen met een vooraf afgebakende inhoud zijn voornamelijk gericht op het oefenen van vaardigheden of het vergaren van kennis, bijvoorbeeld een cursus sociale vaardigheden, de modules intrafamiliaal geweld, rijden onder invloed van alcohol of drugs, een groepsvorming rond slachtofferbeleving enzovoort. De projecten Groep INTRO en het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid (BIVV) werken op deze manier. Hoewel men er aanvankelijk vaak weigerachtig tegenover staat, blijkt de steun van de medecursisten van onschatbare waarde.

Individuele projecten werken met wekelijkse gesprekken op maat van de cliënt. Dader In-Zicht (DIZ) en het Leerproject voor Daders van Seksueel Geweld (LDSG) zijn daar voorbeelden van. Deze laatste twee behoren samen met Slachtoffer In Beeld (SIB) tot Gerechtelijk Opgelegde Hulpverlening[3], dat in 2015 reeds twintig kaarsjes mocht uitblazen. Men werkt er herstelgericht en probleemoplossend, met het oog op hervalpreventie. De dader neemt in eerste instantie zijn of haar verantwoordelijkheid op door na te gaan wat er allemaal kan hebben meegespeeld bij het tot stand komen van het gepleegde misdrijf. De eerste vraag is: ‘Hoe is het zo ver kunnen komen?’ De achterliggende problematieken waarmee cliënten kampen, zijn heel gevarieerd: een gebrek aan communicatieve vaardigheden of zelfvertrouwen, middelengebruik dat niet zo vrijblijvend is als het voor de cliënt lijkt, een kort lontje, een onverwerkt trauma waarop nog steeds (zelf)destructief wordt gereageerd, relationele problemen, financiële problemen enzovoort. Door meer inzicht te verwerven in dat kluwen van problemen en die oplossingsgericht aan te pakken, kunnen geïnstalleerde patronen doorbroken worden. Aan de hand van vragen als ‘Wat had je op dat moment anders kunnen doen? Hoe zou je nu in een soortgelijke situatie te werk gaan?’ en diverse methodieken wordt geprobeerd om tot inzicht en gedragsverandering te komen. Ook belangrijke derden kunnen bij dit leerproces betrokken worden. Vooral bij intrafamiliaal geweld waarbij dader en slachtoffer beslissen om samen verder te gaan, kan het zinvol zijn om enkele gesprekken met beide partijen aan te gaan. Een leerstraf is een leerkans.

De dader wordt tijdens de gesprekken niet alleen geconfronteerd met de oorzaak van het gepleegde misdrijf, maar ook met de gevolgen voor zichzelf en de ander. Niet alleen het slachtoffer en diens omgeving, maar ook de omgeving van de dader en zelfs de hele maatschappij kunnen immers schade geleden hebben. Heel wat daders geven achteraf aan dat ze daar zonder die opgelegde hulp minder bij hadden stilgestaan. De slachtofferbeleving is een belangrijk aspect dat in elke leerstraf aan bod komt. Bij Slachtoffer In-Beeld (SIB) ligt daar zelfs de nadruk op. De justitieassistent, rechter of procureur en hulpverlener bekijken steeds welk project het meest geschikt is voor elke cliënt. Het gepleegde misdrijf kan bij twee cliënten dan wel hetzelfde zijn, het verhaal is telkens anders.

Een leerstraf is echter niet gewoon een babbeltje komen doen met een hulpverlener. Het vergt een wekelijkse actieve inspanning van de dader om tot een positieve afronding van de straf te komen. Je hele leven, fouten incluis, op tafel moéten gooien bij een vreemde is niet evident. Bij ongewettigde afwezigheid of een gebrek aan motivatie en medewerking wordt een leerstraf stopgezet en kan er alsnog een gevangenisstraf tot uitvoering komen.

Daders horen thuis op een spreekstoel

Zullen we de repressieve strafuitvoering blijven nastreven, waarbij daders weggeplukt worden uit de samenleving om in een cel te zitten wachten tot ze enige tijd later opnieuw gedropt worden in een samenleving waar ze niet gewenst zijn? Oog om oog, tand om tand? Een langere of zwaardere celstraf biedt geen garantie op het vermijden van toekomstige delicten, maar verergert de situatie vaak alleen maar. En onze gevangenissen zijn sowieso al overbevolkt.

Beyens en Kloeck (De Redactie, 15 november 2015) stellen dat het elektronisch toezicht trouwens stilaan dezelfde ziektes begint te vertonen als de gevangenissen: een gebrek aan personeel, wachtlijsten, overbelasting en ontevredenheid. Er werd onlangs nog gestaakt omdat er te weinig middelen zijn om al de mensen onder elektronisch toezicht op te volgen, laat staan dat er voldoende middelen zijn voor ondersteuning en begeleiding, de hervalpreventie indachtig. En ook de daderhulp lijkt besmet. In juni 2015 werd aangekondigd dat er in het kader van besparingsmaatregelen twintig procent minder middelen toegekend zouden worden aan de verschillende centra die daders van zedenfeiten begeleiden en behandelen. Het gevolg? Nog langere wachttijden. “Maar het werk van deze steuncentra wordt wel erg gewaardeerd”, heet het dan. Het stijgende aantal doorverwijzingen naar een leermaatregel geeft niet alleen een indicatie van de strijd tegen straffeloosheid, maar wijst eveneens op de positieve effecten van deze herstelgerichte aanpak. Toch zijn er ook daar onvoldoende middelen om de capaciteit van de projecten uit te breiden en de leerstraffen binnen een aanvaardbare termijn uit te voeren. Dit zorgt voor ellenlange wachtlijsten die een invloed kunnen hebben op recidive.

Iedere dader is iemands kind, ouder, vriend(in), collega, familielid. Zij hebben zich niet gehouden aan de regels van onze samenleving en moeten daar terecht voor worden gestraft. De perceptie van wat een correcte en zinvolle straf is moet echter veranderen. Wat maakt het zo moeilijk voor mensen om te investeren in re-integratie van daders, en daardoor in hervalpreventie? Er wordt heel vaak geopperd dat er voor slachtoffers zelf onvoldoende gedaan wordt. Slachtoffers hebben uiteraard recht op een vergoeding van de materiële en morele schade en op aangepaste hulpverlening. Onder andere Slachtofferonthaal, Slachtofferhulp, Slachtofferbejegening bij de politie en CAW’s in het algemeen kunnen hier een rol in spelen. Bovendien willen slachtoffers vaak zelf vooral dat de dader eenzelfde fout niet opnieuw maakt bij een ander slachtoffer. Weten dat iemand zijn fout inziet, spijt betuigt en verplicht wordt om actief te werken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten kan ook in het verwerkingsproces van slachtoffers een grote rol spelen.

Daders horen dus thuis op een spreekstoel, bij de hulpverlener. Inzicht leidt tot het opnemen van verantwoordelijkheid om negatieve patronen te doorbreken. Die gedragsverandering heeft dan weer een preventief effect. Het zou zinvol zijn dat de regering verder investeert in alternatieve maatregelen, met inbegrip van daderhulp. Niet alleen om de overbevolking in de gevangenissen terug te dringen, maar ook om daders probleemoplossend en herstelgericht te behandelen waardoor zij kunnen bijdragen tot de samenleving en de kans op nieuwe slachtoffers daalt. Dat is tenslotte toch het doel van een straf.

[1] Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie – Recidive na een rechterlijke beslissing. De eerste nationale cijfers over recidiveprevalentie op basis van het Centraal Strafregister, Panopticon, Volume 36, 3, pp 173 – 189.

[2] http://www.dehuizen.be

[3] http://www.caw.be/gerechtelijk-opgelegde-hulp

Auteur: Jantien Seeuws

Jantien Seeuws studeerde af als Master in de Klinische Psychologie aan de vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie van de Ugent. Sinds 2012 werkt ze met daders bij Gerechtelijk Opgelegde Hulpverlening in het CAW Noord-West-Vlaanderen. Als zelfstandig psycholoog in Gent verdiept ze zich verder in de forensische psychologie en van de norm afwijkende seksualiteitsbeleving; BDSM in het bijzonder. U kan de auteur bereiken op info@jantienseeuws.com. (www.jantienseeuws.com)